Instructie - Betrokkenheid

Screen jezelf

  • Geef ik mijn leerlingen de kans om elkaar instructie te geven?
  • Zorg ik ervoor dat mijn leerlingen betrokken zijn in de instructie?
  • Geef ik extra instructie over taken en opdrachten op vraag van alle leerlingen?
  • Kunnen mijn leerlingen mee bepalen of ze nood hebben aan instructie?
  • Welke activerende werkvormen gebruik ik? Varieer ik daar voldoende in?

Video

Toelichting

Leerlingen kregen voor het vak Nederlands les over gedichten. De leerkracht liet op voorhand enkele ‘gedichtexperten’ de instructie voorbereiden. Deze leerlingen leggen aan de rest van de klas uit wat een Haiku en een Limerick is. Ook tijdens de les kunnen zij ingeschakeld worden. Zo is er een leerling die een vraag heeft waarna de leerkracht haar doorstuurt naar de gedichtenexperts.

Op het einde van de wiskundeles plant de leerkracht een korte herhaling in van de geziene leerstof. Deze herhaling wordt echter niet gedaan door de leerkracht. Ze stelt de leerlingen heel wat vragen en geeft de leerlingen de kans om aan elkaar uit te leggen hoe het nu weer precies in elkaar zat. Voor de leerlingen is het een heel normale zaak dat ze vooraan de klas uitleg aan elkaar geven. Op die manier worden ze sterk betrokken tijdens de instructie.

Als laatste zie je een leerling die uitleg geeft aan een medeleerlinge. Deze jongen zag dat het meisje even vastzat met de oefening en bood spontaan extra instructie aan.

Meer inspiratie?

Reeds tijdens de instructie kunnen leerlingen betrokken worden: leerlingen kunnen zelf iets voorstellen, ze kunnen geprikkeld worden om mee te denken door uitdagende vragen, leerlingen kunnen iets voordoen of een experimentje uitvoeren, leerlingen zoeken zelf informatie op en krijgen geen instructie, enz. Doordat ze een rol krijgen in de instructie, zullen leerlingen gemotiveerd zijn om de leerinhouden verder te verwerken.

Ook via peer tutoring kunnen leerlingen in de instructie betrokken worden. Wanneer leerlingen als hulpjuf of -meester worden ingeschakeld, kunnen ze de leerstof op een andere manier uitleggen aan andere leerlingen. Dat helpt hen om de leerstof vanuit een ander perspectief te bekijken. Daarnaast draagt dit ook bij aan de ontwikkeling van hun sociaal-emotionele vaardigheden.

Er zijn verschillende activerende werkvormen waarbij de kinderen (inter)actief aan de slag gaan om de leerinhouden te verwerken. Ze krijgen hierbij een participerende rol en er wordt sterk gebruik gemaakt van de leerlingen hun competenties. Een aantal voorbeelden:

Zoemgroepen (of buzz groups)

Een hoofdthema wordt onderverdeeld in een aantal sub-thema’s. Elke groep krijgt zo’n subthema en krijgt vijf à tien minuten de tijd om hierover kort te discussiëren. Er wordt van elke groep een rapporteur gekozen die verslag uitbrengt aan de hele klas.

Jigsaw (of puzzelgroepen)

De leerlingen worden verdeeld in een aantal basisgroepen van vier à vijf leerlingen. De opdracht voor het groepswerk wordt eveneens in vier à vijf deelopdrachten verdeeld waarna elk groepslid verantwoordelijk wordt voor één deelopdracht. Nadien worden expertgroepen samengesteld waarin leerlingen met hetzelfde opdrachtonderdeel uit de verschillende groepen hun deel bespreken. Daarna wordt dit uitgelegd aan de eigen basisgroep. Als laatste kan een beoordeling volgen om na te gaan of alle leerlingen de totale leerinhoud beheersen.

CLIM

CLIM staat voor ‘Coöperatief Leren in Multiculturele groepen’ waarbij vertrokken wordt vanuit de sterkte van de heterogene klasgroep. Binnen CLIM worden een aantal principes van coöperatief leren centraal geplaatst, nl. interactie, onderlinge afhankelijkheid, individuele verantwoordelijkheid, het aanspreken van sociale vaardigheden en het bevorderen van de groepsdynamiek. In de heterogene groepen bij CLIM krijgt iedere leerling een rol binnen de opdracht die ze moeten vervullen. Mogelijkheden zijn:

  • Secretaris: leest de opdrachten of de teksten luidop voor in de groep en controleert of alle opdrachten goed uitgevoerd zijn.
  • Materiaalbaas: let goed op de materialen, zorgt ervoor dat iedereen het materiaal kan bekijken, materialen opruimen, bedienen van CD-speler of computer als het nodig is.
  • Verslaggever: spreekt af welk antwoord de groep noteert en zorg ervoor dat iedereen zijn antwoord in het boekje schrijft.
  • Organisator: voert het woord als de groep iets wil vragen aan de leerkracht en moedigt de groepsleden aan om goed met elkaar samen te werken. Zorg dat iedereen aan het woord komt.
  • Stilte-kapitein: houdt in de gaten of de groepsgenoten niet te hard praten of vraagt de groep iets zachter te praten als er te hard wordt gepraat.
  • Tijdbewaker: zorgt ervoor dat hij de klok kan zien of een horloge heeft. Als de groep erg lang bij een vraag blijft hangen, kan hij of zij de groep waarschuwen, bijvoorbeeld door te zeggen: “We moeten aan de volgende vraag beginnen, anders krijgen we het niet af.”

Heb je zelf nog een goed praktijkvoorbeeld of een goede tip? Laat het ons zeker weten! Klik hier om jouw ideeën door te sturen.