Screen jezelf
- Krijgen mijn leerlingen de kans om elkaars leervorderingen te bespreken? Kunnen ze elkaar tips geven over hun leerproces?
- Voorzie ik mogelijkheden voor mijn leerlingen om hun eigen werk te evalueren?
- Op welke manier krijgen mijn leerlingen de kans om leeractiviteiten mee te evalueren en te bespreken?
- Geef ik mijn leerlingen inspraak in de vorm, het moment of de criteria voor assessment?
- Stimuleer ik voldoende zelfverwoording en zelfbevraging bij mijn leerlingen?
Video
Toelichting
Leerlingen van het vijfde en eerste leerjaar lezen samen in een boek. De leerlingen van het vijfde leerjaar fungeren hier als leesmeester of leesjuf. Deze leerlingen kregen eerst enkele tips van hun leerkracht om de les goed te laten verlopen: let op de leeshouding van je leesvriendje, … Op het einde bespreken de leerlingen samen hoe het is verlopen en vult de oudste leerling een assessment-formulier in. Dit bespreekt de leerling met zijn leesvriendjes: “Je leest al goed, maar let nog op je leeshouding”. Via dit assessmentformulier wordt de leerkracht op de hoogte gehouden van de leervorderingen van de leerlingen van het eerste leerjaar.
Met behulp van een correctiesleutel kunnen leerlingen hun eigen werk controleren. In deze les wiskunde geeft de leerkracht enkele leerlingen extra instructie. De leerlingen die zelfstandig werken, verbeteren hun oefeningen a.d.h.v. een verbetersleutel. De leerkracht stimuleert de leerlingen om niet zomaar de correcte oplossing over te nemen, maar om aan te duiden welke oefeningen fout zijn. Daarna kunnen de leerlingen de oefening verder verbeteren.
Na de les ‘lezen’ stelt de leerkracht open vragen aan de leerlingen om naar de leervorderingen van deze leerlingen te peilen. Hoe hebben ze de leesles ervaren? Hoe voelen ze zich daarbij? Vinden ze dat ze goed gelezen hebben? Hierbij wordt zelfbevraging en zelfreflectie gestimuleerd.
Na een lesactiviteit waarin de leerlingen per twee een onderwerp onderzochten, vindt een gesprek plaats met alle leerlingen van de klas. De leerkracht stimuleert de leerlingen om het proces te bespreken. De leerlingen maken eerst een schatting van het aantal minuten dat ze effectief gewerkt hebben aan de opdracht en geven daarbij aan wat goed verliep en waar ze het moeilijk mee hadden. Niet enkel cognitieve aspecten komen aan bod. Het gesprek gaat ook over sociale aspecten. Zo zeggen ze bijvoorbeeld waardoor leerlingen gestoord werden of waar ze hulp konden vinden als ze een probleem hadden. De leerlingen krijgen tijdens dit gesprek niet enkel de kans om het verloop van het groepswerk te bespreken, maar ook om elkaar tips te geven en naar elkaar te luisteren. De leerkracht stimuleert de leerlingen voortdurend om na te denken over hun leerproces en manieren om dit te verbeteren.
Meer inspiratie?
Om leerlingen de kans te geven elkaars werk te bespreken en elkaar tips te geven over hun leerproces, kan er gewerkt worden met peer assessment. Bedoeling daarbij is dat de leerlingen mondeling of schriftelijk feedback geven aan elkaar over een afgewerkt product, de samenwerking in de groep, de inbreng van de medeleerlingen, een presentatie, enz. Een andere optie is werken met co-assessment waarbij zowel de leerlingen als de leerkracht een evaluatie maken. Dat kan mondeling (door gesprekken tussen leerkracht en leerling) of schriftelijk a.d.h.v. observatielijsten bijvoorbeeld. Het is bij beide vormen nuttig om op voorhand met de leerlingen een aantal richtlijnen te bepalen en hen te stimuleren om dit waarheidsgetrouw in te vullen.
Daarnaast kan ook gewerkt worden met zelfevaluatie. Zelfevaluatie wordt gezien als een bron voor verdere ontplooiing. Leerlingen kunnen hierdoor hun eigen capaciteiten en vooruitgang beoordelen. Ze leren daarbij hun leerproces in eigen handen te nemen. Concreet kan dit vorm krijgen door een zelfevaluatiefiche of een evaluatieraster. In dat evaluatieraster zijn bijvoorbeeld vier delen opgenomen: behouden, lossen, toevoegen en bijsturen. Leerlingen beoordelen hun taak, project, … aan de hand van deze criteria.
Bij de drie voorgaande vormen van assessment (peer assessment, co-assessment en zelf-assessment) is het belangrijk om een terugkoppeling te voorzien. Het effect van de evaluatie is groter wanneer er nadien nog wordt stilgestaan bij de antwoorden. Waarom vind je dat iets niet goed is gegaan? Hoe kan je dit volgende keer beter doen?
Om de betrokkenheid van leerlingen nog te verhogen en de differentiatiekansen uit te breiden, kunnen assessment-criteria samen gekozen worden. Leerlingen kunnen alvorens de opdracht start voorstellen tot criteria doorgeven of kunnen kiezen uit een lijst met criteria die de leerkracht reeds opstelde. Op die manier kan een evaluatieformulier tot stand komen in een wisselwerking tussen leerlingen en leerkracht.
Een andere manier om de betrokkenheid van leerlingen in het assessment te vergroten, is om samen met de leerkracht bepaalde leeractiviteiten te evalueren, zoals bijvoorbeeld een didactische werkvorm of een leeruitstap. Leerlingen krijgen hierbij de kans om te vertellen hoe ze zich voelen bij de leeractiviteit, wat ze goed of minder goed vonden, of ze in de toekomst nog op dergelijke manier activiteiten willen doen, hoe ze het zouden verbeteren, enz.
Heb je zelf nog een goed praktijkvoorbeeld of een goede tip? Laat het ons zeker weten! Klik hier om jouw ideeën door te sturen.



